Welkom bij Distrivers

Categorie: Columns

Een van de uitspraken die ik altijd doe thuis is: “Alles wat je niet lust, zit tussen je oren”. Er schuilt een kern van waarheid in die uitspraak. Er zijn smaken die we van nature niet zo lekker vinden, maar die we door aangeleerd gedrag lekker zijn gaan vinden. Dat is bijvoorbeeld het geval met bittere smaken, zoals de smaak van bier. Heel vroeger, toen we het berevel nog niet voor de openhaard hadden liggen, maar om ons lijf droegen, zorgde de aangeboren afkeer voor bitter ervoor, dat we in leven bleven bij het bessen plukken. Bitter staat in de natuur vaak voor giftig. Smaak gaat hand in hand met geur, zo is de geur van rotting bijvoorbeeld dé stimulus voor afkeer. De reden hiervoor is logisch, voedsel wat bedorven is, is meestal slecht voor onze gezondheid. Dat is vaak een reden voor mensen om een afkeer tegen kaas te ontwikkelen. Kaas ondergaat een rijpingsproces, waarbij door de geur de associatie van bederf kan ontstaan.

Julius Caesar

Onze verre voorouders zetten zich al over de geur van bederf heen. Er zijn aardewerkpotten uit 800 voor Christus teruggevonden, die erop duiden, dat men kaas maakte. Waarschijnlijk op zoek naar manieren om producten te vervoeren en/of langer te bewaren, kwam men er per toeval achter, dat als je melk in een kalvermaag bewaarde, deze stremde (dik werd). Iets later, in 57 voor Christus, schreef Julius Caesar dat er in de ‘lage landen’ kaas werd gegeten. De kaasmarkten en kaashuizen komen op en de export van kaas groeit. Vanaf 1900 ontstaan er kaasfabrieken, waardoor er op grote schaal kaas gemaakt kan worden.

Ingrediënten

Onmisbare ingrediënten voor kaasbereiding zijn:

  • Melk
  • Zuursel
  • Stremsel

Wanneer er andere melk gebruikt wordt dan koemelk, moet dat vermeld worden. Alleen wanneer kaas van (niet rauwe) koemelk is gemaakt, mag het kaas heten zonder dat er staat koeienkaas. Kaas gemaakt van b.v. geitenmelk krijgt de naam geitenkaas. De melk die gebruikt wordt is over het algemeen gepasteuriseerd, om ongewenste bacteriegroei te voorkomen. Kaas van ongepasteuriseerde melk moet minimaal 60 dagen rijpen, zodat ziekteverwekkers gedood worden.

Om te zorgen dat vloeibare melk vaste kaas wordt, worden zuursel en stremsel toegevoegd aan de melk. Zuursel bevat melkzuurbacteriën die als doel hebben lactose om te zetten in melkzuur. Dit heeft tot gevolg dat de melk zuurder wordt, waardoor melkeiwit gaat klonteren.

Het stremsel bevat enzymen, die ervoor zorgen dat het melkeiwit beter samenklontert. Stremsel wordt van oudsher gewonnen uit de maag van een kalf. Daarnaast bestaat er stremsel gemaakt door gisten of bacteriën, het zogenaamde microbieel stremsel. Soms betreft dit genetisch gemanipuleerde bacteriën of gisten (gentech stremsel). Er bestaat ook plantaardig stremsel, maar omdat dit bittere kaas kan opleveren, wordt het niet veel toegepast.

Voor mensen die geen dierlijk- of gentech stremsel willen/kunnen eten, is het lastig om te zien welk stremsel gebruikt wordt. Stremsel is een hulpstof, dat in het eindproduct geen functie meer heeft. De wetgever heeft bepaald, dat het in dat geval geen ingrediënt is. Er is dus geen verplichting om de aard van het stremsel op een etiket te vermelden. Steeds meer fabrikanten geven het wel aan wanneer er een vegetarisch stremsel (kan ook gentech zijn) gebruikt wordt. Het schijnt zo te zijn dat Nederlandse kaasmakers het gentech stremsel nagenoeg niet gebruiken, omdat ze bang zijn dat de Duitse consument (met sterke afkeer voor gentech) onze kazen niet meer willen kopen.

Wrongel

Wanneer de kaas gestremd is, ontstaat er een scheiding tussen vocht (wei) en de gelachtige substantie (wrongel). De wrongel wordt gesneden, in mallen gegoten en geperst. De wei die vrij komt wordt afgevoerd. De manier waarop de wrongel behandeld wordt, bepaalt of je een korrelige kaas met onregelmatige ogen (gaten) krijgt of een gatenkaas met mooie regelmatige ogen. De ogen ontstaan, doordat bacteriën uit het zuursel koolstofdioxide uitscheiden, waardoor belletjes gevormd worden.

Pekelbad

Nadat de wrongel in mallen is gegoten, wordt er zout aan de kaas toegevoegd. Dit kan handmatig zoals bijvoorbeeld bij Camembert gebeurt, maar meestal wordt gekozen voor een pekelbad. Afhankelijk van de soort kaas, ligt de kaas een paar uur tot een paar dagen in dit bad. Zout is van invloed op de structuur van kaas, op het rijpingsproces en daardoor op de smaak. Zout remt daarnaast de groei van ongewenste bacteriën en bevordert de groei van de gewenste bacteriën die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de ogen. Sinds 2006 is de hoeveelheid zout in Goudse kaas met 22% teruggebracht naar 687 mg/100 g.

Rijpen

Na het zoutbad, volgt meestal een coating met paraffine of kaasplastic. Dat is het gele of rode laagje om de kaas. Het beschermt de kaas tegen bacteriën en schimmels. Deze coating is niet bedoeld voor consumptie, terwijl je de korst van bijvoorbeeld Brie wel gewoon kunt eten. De kaas is na de coating gereed om te worden opgeslagen voor het rijpingsproces. De duur van de rijping is afhankelijk van de soort kaas die geproduceerd wordt. Tijdens het rijpen worden geur- en smaakstoffen gevormd en verandert de structuur van de kaas.

Er zijn geen regels voor de termen jong, belegen, oud of overjarig. Er is ook geen verplichting om dit op het etiket te vermelden. Wel is het zo dat als er staat dat een kaas 12 maanden gerijpt is, dat dit moet kloppen. Gemiddeld heeft jonge kaas vier weken gerijpt en overjarige kaas meer dan 12 maanden. Er zijn echter mogelijkheden, zoals speciaal zuursel of een hogere temperatuur, waardoor het rijpingsproces versneld kan worden.

Verse kaas

Voeg je melkzuurbacteriën en/of stremsel toe aan melk, maar start je geen rijpingsproces, dan ontstaat verse kaas. Kwark is een voorbeeld van een verse kaas. Maar ook roomkazen zoals Monchou of Philadelphia zijn verse kazen. Kort door de bocht krijg je door kwark uit te laten lekken uiteindelijk roomkaas.

Schijf van vijf

Kaas wordt gemaakt van melk, dat betekent dat het vet in kaas voor het merendeel bestaat uit verzadigd vet. Van verzadigd vet is bewezen, dat het niet goed is voor onze bloedvaten. Het vetgehalte van kaas, wordt op de verpakking weergegeven door een getal en een + teken. Hoe lager het getal, des te minder vet zit er in de kaas. Eet bij voorkeur magere (10+, 20+ of 30+) kaas met maximaal 2 g zout per 100 gram. 40 Gram magere kaas per dag past prima in een gezonde voeding. Naast eiwit is kaas ook een bron van de vitamine B2, B12 en calcium. Tevens verkleint een portie zuivel per dag het risico op darmkanker. In het assortiment van Distrivers vind je diverse heerlijke (magere) kaassoorten.

Bij vragen over voeding kun je altijd de diëtist van jouw instelling inschakelen. Of stel ze aan onze voedingsdeskundige stephanieslot@distrivers.nl.


Verras met een kaasplankje

  • Kies maximaal vijf soorten kaas, bouw de smaken en textuur op van licht romig naar zwaar en brokkelig;
  • Reken max 200 gram per persoon;
  • Vul je plank aan met stokbrood, toast of cracker, noten, dadels, vijgen, druiven, olijfjes, stroop of chutney en eventueel worst.

Kaassoorten die heerlijk op een kaasplankje passen:

  • Brie roitelet mini
  • camembert
  • port salut
  • geitenkaas
  • dana bleu
  • gorgonzola

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

Categorie: Columns

Tradities……….. iedere generatie heeft ze, en voor hun oorsprong moeten we terug in onze geschiedenis. Dat geldt ook voor veel van onze traditionele gerechten. Eigenlijk zegt het woord traditie het al wel, het wordt van generatie op generatie doorgegeven. We voegen er een beetje “nieuwe tijdgeest” aan toe en het gerecht kan door naar de volgende generatie. En zoals het met tradities gaat, na verloop van tijd denk je dat jij er de uitvinder en eigenaar van bent. Op Wikipedia stond een mooie definitie: Een traditie (Latijn: trádere, overleveren) is een gebruik of gewoonte die van de ene generatie op de andere wordt doorgegeven. … Tradities kunnen als waardevol worden beschouwd en boven alle kritiek verheven, maar ook als conservatisme dat remmend werkt op de vooruitgang.

Bij het gedeelte “boven alle kritiek verheven”, kriebelde er een lach bij mij omhoog. Volgens mij zorgen juist tradities voor de meeste strijd in huishoudens (en onze wereld). Hoe ik mijn best ook probeer te doen, de originele Kartoffelsalat van mijn schoonmoeder staat op ongekende hoogte. Ik snap dat wel, traditie is gelardeerd met emotie en nostalgie. Mijn moeder maakt bijvoorbeeld nog steeds de allerlekkerste hutspot. Die van mij is ook lekker, maar daar zit niet de liefde van, en voor mijn moeder in. Hoe zit het eigenlijk met de traditie van onze oer Hollandse stamppot.

Monniken

Wanneer je in de geschiedenis van eten duikt, stuit je vaak op verwijzingen naar oude kookboeken. Het oudste nog bestaande Nederlandse kookboek, dateert uit 1514 en heet “Een notabelen boecxken van cokeryen”. Monniken waren de eerste mensen die het schrift onder de knie hadden, daarna volgden de edelen en kooplieden. Pas in de 17de en 18de eeuw leerden niet notabelen ook lezen. Een vrij praktische reden dus, dat er niet echt kookboeken zijn te vinden van het ‘gewone’ volk. Mensen die niet konden lezen en schrijven, gaven recepten mondeling aan elkaar door. Zo is het waarschijnlijk ook gegaan met het verhaal over het ontstaan van stamppot, dat is een verhaal waarvan er meerdere versies rond gaan. Het onderstaande stukje geeft één van de anekdotes weer.

Willem van Oranje

Onze hedendaagse stamppotten, zijn meestal een combinatie van gestampte aardappelen en groente. De aardappel is pas sinds de Tachtigjarige oorlog met de Spanjaarden meegekomen naar Nederland. Hij werd als eerste gekweekt in de Leidse Hortus, maar pas in de 18-de eeuw werd de aardappel door mensen gegeten. Niet zo gek misschien, dat het verhaal van de eerste vermelding van stamppot vanuit Leiden afkomstig is. We gaan een klein stukje het geschiedenisboek in, voor een (zeer compacte versie van een) mooi verhaal. De 17 Noordelijke provinciën (basis voor ons later Nederland) vielen onder bewind van Karel V. Toen deze troonsafstand deed, kwam Filip II aan de macht. Het botste tussen deze streng katholieke Filip en de protestantse leider van de provinciën Willem van Oranje. Dit mondde in 1566 uit in de Beeldenstorm, waarna Filip zijn beste vriend Hertog Alva stuurde om de orde te herstellen. Van 1573-1574 belegerde Alva Leiden. Onder zijn leiding werd geprobeerd de stad uit te hongeren. Willem van Oranje en de Watergeuzen bedachten een reddingsplan. In de nacht van 2-3 oktober 1574 staken de Watergeuzen daarom de dijken door, om zo Zuid-Holland onder water te zetten en de Spanjaarden te verjagen. De Spanjaarden hielden niet van natte voeten en ontvluchtten gehaast de stad. In een verlaten legerkamp, trof men een kookpot met daarin pastinaken, wortelen, uien en vlees aan. Deze maaltijd werd bekend als hutspot. Traditioneel eten de Leidenaren hierdoor op 3 oktober nog steeds hutspot.

Stamppot Tulpenbollen

Toch is dat niet het ware verhaal van de stamppot zoals hij heden ten dage op ons bord ligt. Tot en met de twintigste eeuw is er namelijk nog geen sprake van dat de hutspot, gestampte aardappelen bevat. Hutspot is dan nog een husselpot van ongestampte ingrediënten. Vanaf begin twintigste eeuw, komt stamppot voor in kookboeken. De rol van de aardappel wordt dan ook groter, daarvoor at men met name Pastinaak. Het waarom van het stampen van de ingrediënten is geschiedkundig niet geheel bekend. Daar kun je natuurlijk allerlei theorieën op los laten. Een stamppot, is in tijden van oorlog en/of armoede, natuurlijk een prima manier om het tekort aan een duur ingrediënt te verbloemen en toch een maagvullende maaltijd op tafel te zetten. In de Tweede Wereldoorlog konden tulpenbollen niet geëxporteerd worden. In tegenstelling tot andere bloembollen, zijn tulpenbollen niet giftig. Ze werden daarom samen met suikerbieten gegeten om de honger te stillen. De Bijenkorf deelde in die tijd briefjes rond met een recept voor Stamppot tulpenbollen.

Spekjes, slagroom en roomboter

Heden ten dage staan stamppotten over het algemeen niet bekend als gezond. Dat komt vaak, doordat er thuis behoorlijk wat zout en verzadigd vet in een stamppot gaat in de vorm van bouillonblokjes, spekjes, slagroom en/of roomboter. Of een stamppot in de Schijf van Vijf staat, hangt af van een aantal factoren. Ieder hoofdingrediënt moet voldoen aan de verschillende criteria die opgesteld zijn. Wanneer je voor producten kiest die binnen de Schijf van Vijf vallen, bevat een maaltijd namelijk ingrediënten die een positief effect hebben op de gezondheid. Er is binnen de Schijf ruimte voor één of twee dagkeuzes, zodat er af en toe ook wel een stamppot gegeten kan worden, die (net) niet aan de richtlijnen voldoet. Zie voor meer informatie over de Schijf van Vijf www.voedingscentrum.nl

Witte Wieven verjagen

Bij Distrivers kennen we een grote verscheidenheid aan stamppotten. De traditionele vier mogen natuurlijk niet ontbreken. Andijvie-, boerenkool-, zuurkoolstamppot en hutspot, staan regelmatig op onze menu’s. Daarnaast zijn de klassiekers zoals hete bliksem en stamppot snijbonen al niet meer weg te denken uit onze keukens. Wist je dat stamppot snijbonen door veel mensen op Nieuwjaarsdag gegeten wordt? Oorspronkelijk waren dit zoute snijbonen. Snijbonen werden na het oogsten ingelegd in zout. Het eerste potje werd dan in het nieuwe jaar aangebroken. Naar verluidt helpt het zout tegen de kater van Oudjaarsnacht én deze stamppot verjaagt ook nog eens “Witte Wieven”. Een prachtig mooi verhaal bij een lekkere stamppot.

Nieuwerwets

Onze klanten en creatieve productontwikkelaars, hebben ook verschillende moderne stamppotten ontwikkeld zoals: stamppot paksoi met Boursin, de overheerlijke lentestamppot (tomaat, tuinbonen, wortel, rucola), de verrassende combinatie van broccoli met zoete aardappel en spekjes en de mooie combinatie van rucola en geitenkaas. Afhankelijk van de natuurlijke verkrijgbaarheid van groentes, zijn er naast onze jaarrond verkrijgbare stamppotten, per seizoen andere stamppotten te bestellen.

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

Categorie: Columns

Lees deel 1 van deze column hier.

Cholesterol

Een verhaal over vet is niet compleet, zonder dat de rol van Cholesterol is besproken. Cholesterol is een vetachtige stof, die in de lever kan worden aangemaakt. We hebben cholesterol nodig, want het is een bouwsteen voor o.a. zenuwweefsel, gal, hormonen, vitamine D.  Om van A naar B te komen in het lichaam, wordt vaak voor transport door bloed gekozen. Bloed bestaat uit water, en vet is niet oplosbaar in water. De natuur heeft overal een oplossing voor. In dit geval zijn dat eiwitten die gekoppeld worden aan een vetachtige stof (lipoproteïnes). Dan komen er twee bekenden om de hoek kijken: LDL en HDL. Beide hebben een functie.

LDL

LDL is de chauffeur die cholesterol vervoert van het bloed naar de rest van het lichaam. Deze chauffeur heeft wel eens overbelading, waarbij een teveel aan LDL-cholesterol aan de binnenwand van bloedvaten blijft plakken. Daar waar de wand beschadigd is door bijvoorbeeld een te hoge bloeddruk of roken, blijft het makkelijker plakken. Zoals een douchekop die dichtslibt door kalk, slibben slagaderen soms langzaam dicht door vetophoping. Daar waar het kalk soms spontaan uit de douchekop schiet, kan een losgeschoten stukje plak in je slagader een afsluiting veroorzaken en zo bijvoorbeeld zorgen voor een hartinfarct.

HDL

HDL is de vuilniswagen die het cholesterol vanuit het bloed naar de lever afvoert. Van daaruit verlaat het cholesterol via afbraakproducten zoals gal en ontlasting ons lichaam. Het HDL-cholesterol beschermt het lichaam tegen hart- en vaatziekten. HDL-cholesterol noemen we het goede cholesterol. Beter te onthouden is LDL-cholesterol is het Lelijke cholesterol en HDL is de Held.

Zoals altijd is het niet zwart wit. LDL heeft wel degelijk een functie en is gewoon een overijverige werknemer die veel hooi op zijn vork kan nemen. Met andere woorden een gezond voedingspatroon, een normale bloeddruk en-suiker, niet roken, een gezond gewicht, voldoende beweging en een minimum aan stress zorgen voor minder lading en dus minder kans op schade aan slagaderen. Een beter evenwicht dus.

Transvetten

Dan hebben we nog de groep Transvetzuren ook wel transvetten, dit zijn onverzadigde vetten. Aha dat zijn dus de gezondere vetten. Nee! Het zijn onverzadigde vetten, die zich gedragen als verzadigde vetten. Ze verhogen de kans op hart- en vaatziekten, doordat ze het LDL-cholesterolgehalte verhogen en ook nog eens het HDL-cholesterol verlagen. Geadviseerd wordt, om minder dan 1% van je calorieën (=± 2gram) uit transvet te halen. Transvet zit van nature in dierlijke producten (vlees en zuivel) en in de industrie wordt het soms gebruikt, om bijvoorbeeld plantaardige vetten iets harder te maken en producten meer structuur te geven. In Nederland is de afgelopen jaren door de industrie hard gewerkt, om transvetten te vervangen. Minder dan 0.5% van onze calorieën is afkomstig uit transvet.

Het is lastig af te leiden hoeveel transvet een product bevat. Staat er op de verpakking dat er (gedeeltelijk) geharde of (gedeeltelijk) gehydrogeneerd vet/olie gebruikt is, dan zijn daar meestal transvetten bij betrokken. Het voedingscentrum adviseert inzake transvet, om zoveel mogelijk te kiezen voor zachte of vloeibare vetten en niet te veel koek, gebak en snacks te eten.

Eten we teveel vet?

Zoals hierboven te lezen is, heeft vet een functie en hoeven we het niet helemaal uit onze voeding te schrappen. We hebben vet nodig om de verschillende processen in ons lichaam soepel te laten verlopen. De aanbevelingen om niet meer dan 20-40% van de energie die je tot je neemt, te laten bestaan uit vet, dat betekent in grammen dat je niet meer dan 89 gram vet per dag zou mogen eten. Uit de Voedselconsumptiepeiling blijkt dat we gemiddeld 35% van onze energie uit vet halen (84 gram). Hiervan is 12.6%  verzadigd vet en 0,3% bestaat uit transvet. We zitten dus aan de bovengrens van de aanbevelingen voor wat betreft totaal vet en over de grens voor verzadigd vet. Een verbeterslag is dus te halen door ons aandeel totaal vet te verminderen door verzadigd vet te schrappen en te vervangen door onverzadigd vet

Cijfertjes

We eten geen cijfers, dat is puur theorie. Praktisch gezien halen we het grootste gedeelte van ons verzadigd vet uit: zuivel, vlees, snoep, koek, snacks, vetten en oliën. Snoep en koek zijn lekker, maar leveren natuurlijk naast een kort genotsmoment, weinig belangrijke voedingsstoffen. Het is ook niet voor niets, dat ze buiten de Schijf van Vijf vallen. De aanbeveling voor producten die buiten de schijf vallen, is niet vaker dan drie tot vijf keer per dag iets kleins. Voor zuivel, vlees, vetten en oliën zijn afzonderlijke richtlijnen opgesteld. Samenvattend komt het neer op niet meer dan 500 gram vlees per week (incl. vleeswaren), halfvolle-magere zuivel en harde vetten vervangen door zachtere vetten.

Belangrijk is, dat wanneer gezocht wordt naar een vervanger voor het verzadigde vet, dat dit evenwichtig gebeurt. We laten we niet zomaar calorieën vallen, er wordt dan meestal een alternatief gezocht. Een alternatief moet natuurlijk niet meer calorieën, suiker, zout etc. bevatten. Nagenoeg iedereen weet wel, dat een volkoren boterham gezonder is dan een zak chips. Maar je zult zelden iemand zien, die met een zak volkorenbrood naast zich op de bank een voetbalwedstrijd gaat kijken.

Wil je meer tips over gezonde voeding? Je kunt altijd terecht bij een diëtist in je buurt.

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

Categorie: Columns

Macronutriënten

Ons eten bestaat uit verschillende nutriënten. De energieleverende onderdelen, die ook het meest voorkomen in voeding, noemen we macronutriënten. Er zijn drie macronutriënten: Koolhydraten, Eiwitten en Vetten. Naast macronutriënten bestaan er ook micronutriënten, dat zijn stoffen, waarvan je over het algemeen minder dan een gram per dag opneemt. Deze nutriënten leveren geen energie, maar zijn onmisbaar voor ons lichaam. We hebben het dan over vitamines, mineralen en sporenelementen. 

Van de macronutriënten leveren koolhydraten en eiwit ieder 4Kcal/g, vet levert het meeste energie namelijk 9 Kcal/g. Vet heeft een slecht imago, maar toch heeft ons lichaam het nodig (20-40% van onze energie-intake is vet). In het lichaam heeft vet namelijk de functie van bouw- en brandstof. Vetzuren beschermen cellen tegen indringers en zijn nodig om ogen, hersenen, spieren goed te laten werken. Daarnaast zorgt vet voor het beschermen van onze weefsels, isoleert het warmte en zorgt het voor verzadiging. En niet geheel onbelangrijk, ze leveren de vitamines A,D,E en K (vet oplosbare vitamines).

Van de macronutriënten leveren koolhydraten en eiwit ieder 4Kcal/g, vet levert het meeste energie namelijk 9 Kcal/g. Vet heeft een slecht imago, maar toch heeft ons lichaam het nodig (20-40% van onze energie-intake is vet). In het lichaam heeft vet namelijk de functie van bouw- en brandstof. Vetzuren beschermen cellen tegen indringers en zijn nodig om ogen, hersenen, spieren goed te laten werken. Daarnaast zorgt vet voor het beschermen van onze weefsels, isoleert het warmte en zorgt het voor verzadiging. En niet geheel onbelangrijk, ze leveren de vitamines A,D,E en K (vet oplosbare vitamines). 

Op het moment dat je theoretischer in voeding duikt, komt koolstofchemie om de hoek kijken. Wanneer je het leuk vindt om dit beter te begrijpen kun je het volgende stuk lezen. Te ingewikkeld? Lees dan verder bij het volgende kopje.

Vetten en scheikunde

De chemische naam voor vet is tryglyceride: glycerol en drie (tri) vetzuren. Alle vetten en oliën behoren tot deze groep stoffen.  Een vet is een stof die bij kamertemperatuur vast is, een olie is onder die condities vloeibaar. In de chemie van vetten draait het om een drietal stoffen: Waterstof (H), Koolstof (C) en Zuurstof (O). Wanneer een vet bestaat uit veel koolstofatomen (> 14) noemen we dit een Lange Keten vetzuur. Wanneer er minder dan acht koolstofatomen in het vet zitten, scharen we het vet onder korte keten vetzuren en heeft een vet tussen de 8 en 14 koolstofatomen, dan is het een Middellange Keten vetzuur (MCT).

Naast de ketenlengte is ook het al dan niet hebben van een dubbele verbinding van invloed op de eigenschappen van de vetzuren. De onderverdeling is als volgt:

  • Verzadigd vet > geen dubbele binding
  • Onverzadigd vet > wel dubbele bindingen
    • Enkelvoudig onverzadigd > één dubbele binding
    • Meervoudig onverzadigd (MOV) > meerdere dubbele bindingen

Ja, ok en dan nu voor een leek?

Koolstofchemie is als je er niet mee bekend bent, best ingewikkeld. Een (erg) eenvoudige voorstelling is, wanneer je een duizendpoot knutselt met piepschuimbollen en tandenstokers. Indien je meer dan 14 bolletjes aan elkaar maakt, is het een Lange Keten vetzuur etc.. Zit iedere bol met één prikker vast aan de volgende, dan is het een verzadigd vet. Zit er ergens in de keten een bolletje met twee prikkers vast aan een ander bolletje dan is het een enkelvoudig onverzadigd vet en logischerwijs met meer dan één dubbele prikker is het een meervoudig onverzadigd vet. Door deze structuren liggen de bolletjes losser van elkaar, waardoor onverzadigde vetten bij kamertemperatuur vloeibaar of zacht en verzadigde vetten hard zijn.

Essentiële vetzuren

Wanneer je als bedrijf iets zelf niet kunt maken, dan koop je het in. Ons lichaam kan bepaalde stoffen, die wel nodig zijn voor de continuïteit niet zelf maken. Dit noemen we essentiële stoffen. Om toch te zorgen dat alle processen in je lichaam doorgang kunnen vinden,  betekent het dat we ze middels voeding tot ons moeten nemen. Er is een tweetal essentiële vetzuren:

  • Alfalinoleenzuur > ALA > lijnzaadolie, raapzaadolie, sojaolie, walnotenolie
  • Linolzuur > saffloerolie, zonnebloemolie

Met respectievelijk drie en twee dubbele bindingen, vallen deze essentiële vetzuren onder de meervoudig onverzadigde vetzuren. Alfalinoleenzuur (ALA) is lid van de omega 3 familie, terwijl linolzuur onderdeel uitmaakt van de omega 6 familie. Bij het horen van omega 3, denk je vaak direct aan vette vis en het advies om vette vis te eten, toch zie je hierboven alleen plantaardige oliën staan die ALA leveren. Dat klopt. De vetzuren uit vis (EPA& DHA) zijn semi-essentieel. Ons lichaam kan ze maken, maar dat levert slechts een beperkte hoeveelheid op, daarom is het beter om deze vetzuren met voeding tot je te nemen. Er is overtuigend aangetoond, dat het een keer per week eten van vette vis, het risico op fatale coronaire (met betrekking op kransslagaders) hartziekten verlaagt.

Interessant? Lees hier verder over vetten in deel 2 van deze column.

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

Categorie: Columns

De nieuwe standaard

Onlangs is bij Distrivers de IDDSI standaard geïmplementeerd. IDDSI staat voor International Dysphagia Diet Standardisation Initiative (Internationaal Dysfagie Dieet Standaardisatie Initiatief). Deze standaard maakt een eind aan duizend en één verschillende namen die gehanteerd werden om consistenties aan te duiden. 

Alle logopedisten en diëtisten in de wereld op één lijn krijgen, dat is een hele uitdaging. De eerste stappen om tot een consensus te komen zijn dan ook al in 2012 gezet. Uiteindelijk is in 2019 IDDSI wereldwijd geïmplementeerd.

Dysfagie

Dysfagie is een verzamelnaam voor alle problemen die er zijn rondom kauwen en slikken. Kauw- en slikproblemen zijn geen op zich staande ziekten. Het zijn symptomen of gevolgen van een aandoening of van een verwonding. Veel voorkomend zijn: CVA (beroerte), Alzheimer, ziekte van Parkinson, tumoren of problemen met kaak of gebit. Dit is slechts een kleine greep uit een veel groter scala van oorzaken, waar ongeveer 8% van de wereldbevolking mee te kampen heeft.  

Als het vanzelf gaat, is slikken iets waar we niet over nadenken. Bij het afhappen, kauwen en doorslikken zijn er meer dan 20 spieren druk in de weer om te zorgen dat het voedsel naar de maag getransporteerd kan worden. 

Normaal kauwen en slikken verloopt in vier fasen:

  • Inname van voedsel (Voorbereidende orale fase)
  • Inzet van slikken van mond naar keel
    (Orale transport fase) 
  • Transport van voedselbolus door de keel
    (Faryngealefase)
  • Transport door slokdarm naar de maag
    (Oesofageale fase)

In ieder van deze fasen kan een probleem ontstaan. De gevolgen hiervan zijn vaak groot.  Zowel lichamelijk als psychisch.

Sociale verstikking

Kauw- en slikproblemen hebben meer gevolgen dan in eerste instantie gedacht wordt. Voedsel kan in de longen terecht komen en daar een longontsteking (aspiratiepneunomie) veroorzaken of erger; iemand kan stikken. Dit leidt er vaak toe dat mensen minder gaan eten en/of drinken. Onvoldoende eten en drinken kan leiden tot ondervoeding of uitdroging, wat een bedreiging vormt voor de gezondheid.

Waar je minder snel aan denkt, is dat eten vooral ook een sociale bezigheid is. We eten met ons gezin of gezellig met vrienden en familie. Problemen met kauwen en slikken kunnen ervoor zorgen dat iemand zich terugtrekt en het liefst alleen eet, waardoor er sociale isolatie kan ontstaan. Dit is van invloed op de levenskwaliteit en daarmee op de gezondheid.

Consistentie matrix

Er zijn mogelijkheden om te zorgen dat mensen met kauw- en slikproblemen toch goed blijven eten en drinken. Een logopedist kan aan de hand van slikonderzoek kijken of een andere houding, manier van slikken, training van spieren of aanpassing van de voedingsconsistentie wellicht verlichting kan bieden.  Bij consistentiewijzigingen werd tot voor kort met een consistentiematrix gewerkt. De matrix was al een stap in de richting van consensus betreffende de verschillende terminologieën die er in omloop waren. Dat waren wereldwijd maar liefst 57 verschillende termen om de textuur van voedsel te beschrijven, en 27 verschillende om vloeistofdikte te beschrijven. 

En toen was er… IDDSI

De komst van IDDSI maakt definitief een eind aan al deze terminologieën. IDDSI is een raamwerk van acht verschillende consistentieniveaus. Per trede is nauwgezet vastgelegd, wat de fysiologische reden is dat een patiënt deze consistentie zou moeten krijgen. Er is beschreven wat de karakteristieken zijn en hoe je kunt zien of een product geschikt is voor die consistentiegraad. Voor voeding gaan de treden van dik vloeibaar (IDDSI 3) naar normaal (IDDSI 7). In deze afbeelding zijn de zeven verschillende consistentieniveaus grafisch weergegeven. De driehoek met de punt naar beneden is bedoeld voor voeding en de driehoek met de punt omhoog is voor dranken. Iedere consistentietrede is voorzien van een nummer. Dat nummer maakt onder andere dat IDDSI eenvoudig internationaal uitwisselbaar is, zodat ze ook in China weten dat we met IDDSI 3 “dikvloeibaar” bedoelen.  

Banaan met een diploma

Het lijkt vrij eenvoudig zo’n schematische weergave, maar in de praktijk betekent het dat ieder (!) voedingsmiddel een traject van testen moet doorlopen met aan het eind de zo gewilde IDDSI-diplomering. Dat geldt dus niet alleen voor een fijngemalen kipfiletje, maar ook voor een glas melk, chocopasta, een beschuit, een sperzieboon of een banaan. 

De juiste consistentie bepalen

Alle gerechten uit de keukens van Distrivers hebben een IDDSI test ondergaan en zijn voorzien van de juiste codering. Onderstaand is zichtbaar wat de wijzigingen zijn t.o.v. de consistentiematrix. De “Sperziebonen gemalen” heten nu “Sperziebonen fijngemalen IDDSI 5”.

Consistentie IDDSIIDDSI code (nieuw)Consistentie matrix (oud)
Fijngemalen5Gemalen
Gladgemalen4Dik vloeibaar
Dik vloeibaar3N.v.t.

IDDSI 5 gerechten kunnen worden gegeten met een vork of lepel. Het gerecht kan eventueel in een bolvorm worden geserveerd. Er mogen kleine stukjes (< 4 mm) zichtbaar zijn. Componenten met het label IDDSI 4 worden meestal met een lepel gegeten, een vork kan ook. Het is niet mogelijk om deze consistentie uit een beker te drinken of met een rietje op te zuigen. Het kan zonder kauwen worden doorgeslikt. De stukjes zijn kleiner dan 1 mm. Nieuw in ons assortiment zijn gerechten met IDDSI codering 3 (Dik vloeibaar). De IDDSI 3 gerechten zijn iets dunner dan de gladgemalen componenten en zijn vrij van stukjes. Ze kunnen met een lepel gegeten of met een rietje gedronken worden. 

Raadpleeg bij twijfel een logopedist of diëtist, zodat voor de cliënt de gerechten in de juiste consistentie besteld kunnen worden. 

Voor eventuele vragen kun je altijd de diëtist binnen je organisatie, of één van onze specialisten raadplegen.

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

Categorie: Columns

Inlichtingendienst

Het menselijk lichaam is uitgerust met een minutieus verdedigingsapparaat om zich te beschermen tegen aanvallen. Het afweersysteem, ook wel immuunsysteem, werkt voor bedreigingen van buitenaf zoals een virus of bacterie, of van binnen in het lichaam bijvoorbeeld tegen kankercellen. Deze lichamelijke inlichtingendienst, bestaat uit een aantal afdelingen (cellen, moleculen en organen) die samenwerken, en opschalen wanneer het nodig is.

De vergelijking met een leger gaat eigenlijk heel goed op. Witte bloedcellen patrouilleren door ons bloed en lymfe, op zoek naar lichaamsvreemde stoffen. Wanneer ze die vinden, worden die stoffen opgeruimd. Daarnaast is er nog een tweede systeem actief en dat is een systeem dat aanvallers kan identificeren, maar ook kan onthouden voor het geval ze later nog een keer willen binnendringen. Dit is het systeem dat zich herinnert, dat je bijvoorbeeld variant X van COVID hebt gehad, en er voor zorgt dat je het niet meer (of milder) krijgt wanneer je lichaam weer in contact komt met dit virus. Beide systemen moeten in balans zijn. Wanneer de dreiging onschadelijk is gemaakt, moet het afweersysteem ook weer geremd worden, omdat er anders weefselschade kan ontstaan.

Voedselovergevoeligheid

Een allergie is een onnodige reactie van het immuunsysteem op een normaliter onschadelijke stof. De onschadelijke stof (allergeen) wordt als een bedreiging gezien en het lichaam produceert antilichamen, omdat het de indringers wil verdrijven.

Er zijn verschillende stoffen waar mensen allergisch voor kunnen zijn: pollen, huisstofmijt, gif van insecten en voedsel zoals noten en schaaldieren.

De reacties zijn globaal op te delen in twee klassen: allergische en niet-allergische (zie bijgaand figuur). De allergische reacties hebben nog een verdere onderverdeling:

  • Immunoglobuline (IgE) reactie. Dit is een snelle reactie (ongeveer na half uur op hoogtepunt) Er wordt door het lichaam de stof histamine afgegeven, wat tot gevolg kan hebben dat er jeuk, zwelling, slijm, kortademigheid, lage bloeddruk etc. ontstaat.
  • Niet immunoglobuline reactie. Hierbij worden geen antilichamen geproduceerd, maar reageert het lichaam wel. B.v. coeliakie.

De symptomen lopen uiteen van milde klachten tot een levensbedreigende anafylaxie (kan leiden tot een hartstilstand).

Naast een allergische reactie op een voedselallergeen, kan er dus een niet-allergische reactie optreden. Dit heet ook wel een intolerantie. De meest bekende is een lactose-intolerantie. Klachten die daarbij horen zijn: buikkrampen en diarree. De klachten ontstaan, doordat er een tekort is aan lactase, waardoor het melksuiker niet kan worden afgebroken en als voedselbodem dient voor colonbacteriën. Dat is dus een wezenlijk andere reactie van het lichaam dan de bovengenoemde allergieën.

Allergenen

De meest voorkomende voedsel allergieën zijn: koemelk, kippenei, pinda, noten, schaaldieren en fruit (appel, kiwi, perzik, banaan).

De Europese wetgever heeft veertien stoffen gekenmerkt als allergeen. Wanneer deze allergenen aanwezig zijn in ingrediënten, dan moet dit vet of cursief op de verpakking vermeld staan. Sommige fabrikanten vermelden dat hun product “sporen van” een allergeen kan bevatten, of wordt geproduceerd in een bedrijf waar ook …. aanwezig zijn. Hiervoor zijn geen wettelijke regels opgesteld. Mensen kunnen ook voor meer overgevoelig zijn, dan de veertien wettelijke allergenen. Deze ingrediënten hoeven echter niet vet– of schuingedrukt op de verpakking vermeld te worden. Het is voor iemand met een allergie belangrijk, dat iedere keer opnieuw de declaratie op een verpakking goed gelezen wordt. De fabrikant of toeleverancier, kan namelijk in de tussentijd zijn receptuur hebben aangepast.

Claim of Dieet?

Wanneer een cliënt een dieet voorschreven krijgt, heeft de dieetbenaming vaak een term als –vrij in zich. Een arts/diëtist schrijft een Glutenvrij, Sojavrij, Lactosevrij etc. dieet voor. Dan is het voor de betreffende cliënt (na uitleg) duidelijk waar hij/zij zich aan moet houden. Door de geldende wetgeving is dit niet altijd  één op één te vertalen naar een verpakking.

Wettelijk gezien krijg je dan te maken met voedingsclaims. Voor ons als foodservice bedrijf gelden deze wettelijke regels natuurlijk ook. Het is daardoor dus niet altijd mogelijk om de in Cure en Care gehanteerde benamingen te voeren op onze verpakkingen.

Allergeenvrij & Allergeenbeperkt assortiment

Distrivers heeft een diepvries assortiment ontwikkeld speciaal voor mensen met een allergie. Deze geselecteerde producten worden zo naturel mogelijk en in een allergeenvrije omgeving bereid. Het betreft eenpersoonsverpakkingen, waardoor er ook op locatie minder kans op kruisbesmetting is.

In de benaming van het product hanteren wij de tekst allergeenvrij wanneer er geen van de veertien wettelijke allergenen in het product aanwezig zijn en allergeenbeperkt wanneer er één allergeen aanwezig is.

Een voorbeeld van een product dat binnen deze lijn geproduceerd wordt, is vis. Vis op zichzelf is een wettelijk verplicht allergeen. Wanneer je niet allergisch bent voor vis, maar wel voor ingrediënten die normaal gebruikt worden bij de bereiding van vis, is het wel fijn wanneer je nog een stukje vis kunt eten. Deze vis krijgt de benaming allergeenbeperkt mee, omdat er één wettelijk verplicht allergeen (vis) aanwezig is.

Kruisbesmetting

Kruisbesmetting met allergenen, is het overbrengen van een ongewenst allergeen in een gerecht waar dat allergeen nog niet in zat.  Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer borden elkaar per ongeluk raken bij het in- of uitpakken van de regenereerkast. De allergeenvrije, -beperkte producten die je bij Distrivers bestelt, worden in een allergeenvrije omgeving bereid en verpakt in een eenpersoonsverpakking.  Het is belangrijk voor cliënten met een allergie, dat het vervolgproces (regenereren en serveren) zodanig geborgd is, dat er geen kruisbesmetting kan ontstaan.

Voor eventuele vragen kun je altijd de diëtist binnen je organisatie, of één van onze specialisten raadplegen.

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

Categorie: Columns

Kaiser Wetter

Ik ben een liefhebber van zomerfruit. Ik ben dan ook altijd een klein beetje verdrietig wanneer het roodfruitseizoen ten einde is, en de frambozen, kersen, aardbeien, watermeloen, nectarines, perziken, bessen en bramen de marktkraam van mijn fruitvrienden wat minder kleurig maken. Datzelfde heb ik eind juni wanneer officieel het aspergeseizoen eindigt. Toch vind ik het mooi dat we in ons land vier verschillende seizoenen kennen en dat je kunt verlangen naar het moment dat de natuur weer spinazie of frambozen geeft. Zo kan ik genieten van de kleuren van de herfst, een wandeling door de regen, de bloesem van de Japanse kers of wat ze in Oostenrijk “Kaiser Wetter” noemen (een ijskoude, maar stralend zonnige winterdag). Die afwisseling geeft het leven kleur.

U vraagt, wij draaien

In de loop van de jaren zijn we gewend geraakt aan het “U vraagt, wij draaien” principe. Wij de consument, willen asperges eten in de winter of het hele jaar door ontbijten met een hippe boerenkoolsmoothie. Vraag naar producten, zal nagenoeg altijd resulteren in een aanbod. Of we daar blij van moeten worden is een tweede. In een eerdere column schreef ik al eens dat het altijd wel ergens het juiste jaargetijde is, dus die asperges kunnen dan ook in december op tafel staan. Ze worden dan bijvoorbeeld in kassen gekweekt, waar het seizoen nagebootst wordt. Of ze komen 12000 km met het vliegtuig, uit Peru en zijn dan ongeveer zes weken oud. Dan toch liever even wachten tot het seizoen in april begint. Het tijdstip waarop de overheerlijke verse broertjes en zusjes in Limburg uit de volle grond worden geoogst. Dat scheelt bovendien zo’n slordige 112 MJ/kg aan energieverbruik voor het transport uit Peru.

Vollegrond

Volle grond groente zijn alle groentesoorten, die niet in een kas, maar buiten in de grond worden geteeld. Een onderzoek voor de Consumentenbond “Milieueffecten van sperziebonen en spinazie. Een vergelijking tussen vers, conserven en diepvries: vanaf de teelt tot op het bord, 2010”, laat zien dat sperziebonen en spinazie van de Nederlandse volle grond het minste milieudruk geven. Hiervoor zijn de groentes uit Nederlandse volle grond, vergeleken met groentes uit volle grond uit Spanje, Senegal, Kenia, Duitsland en groentes uit glas, blik en diepvries. De site van Milieucentraal, laat zien hoe ingewikkeld het is om milieudruk te berekenen. Je moet rekening houden met een heleboel zaken zoals seizoen, vervoersmethode en het land van herkomst. Een kas heeft over het algemeen betere opbrengst dan volle grond, maar moet verwarmd worden. De glastuinbouw werkt ontzettend hard om circulairder te worden, maar in de winkel kun je niet kiezen uit welk soort kas een product komt. Diepvries en blik- of potgroente blijkt ondanks de energie die opslag en vervoer met zich meebrengen, een goede tweede na producten uit de Nederlandse volle grond.

Het mooiste zou zijn, wanneer we allemaal rechtstreeks onze groente bij de teler zelf gaan kopen. Dat is natuurlijk een utopie.

Voedingswaarde

Hebben zomergroentes in de winter een andere voedingswaarde? In kassen worden seizoenen nagebootst, in overzeese landen is het seizoenspatroon soms omgekeerd aan het onze, maar is het nog steeds het seizoen waarin de groentes normaliter groeien. Daarmee is het logisch dat de voedingswaarde op moment van oogsten gemiddeld genomen onderling niet zoveel verschilt. Voor diepvries, pot- of blikgroente geldt, dat ze worden geoogst op moment van volle rijpheid en vaak dezelfde dag al worden verwerkt, waarbij veel van de oorspronkelijke voedingswaarde behouden blijft. Dat kan anders zijn bij overzees geteelde producten. Immers de voedingswaarde neemt af vanaf het moment van oogsten. Niet alles kan over één kam geschoren worden. Het komt namelijk voor dat groentes die wel in overzeese volle grond geteeld worden, onrijp geplukt worden om zo te rijpen op hun weg naar de consument. Onrijpe groentes hebben natuurlijk niet dezelfde kans gehad om volledig alle voedingsstoffen op te nemen. Kleine kanttekening t.a.v. groente uit een pot of blik, is dat hier meestal zout aan toegevoegd wordt, waardoor ze ten opzichte van vers of diepvries een minder gunstige voedingswaarde hebben.

Seizoensgroente

Bij Distrivers houden we bij het samenstellen van onze menu’s zoveel mogelijk rekening met seizoenen. Zo is stamppot Boerenkool bijvoorbeeld alleen verkrijgbaar in de herfst en winter. Naast verse seizoensgroente, maken wij ook gebruik van diepvries- of soms blikgroente. In onderstaande tabel is zichtbaar welke groente in welke periode uit volle grond verkrijgbaar is.

GroenteVerkrijgbaarheid
Andijviemei-oktober
Aspergesapril-juni
Aubergineaugustus-oktober
Bleekselderijjuli-november
Bloemkooljuli-september
Boerenkooloktober-maart
Broccolijuni-oktober
Chinese koolapril-oktober
Courgettejuli-september
Doperwtenmei-juli
Knolselderijjaarrond
Koolraapoktober-maart
Koolrabimei-oktober
Paprikaapril-oktober
Pastinaaknovember-januari
Pompoenseptember-maart
Preijaarrond
Raapstelenapril-september
Rode Bietjaarrond
Rodekooljaarrond
Savooiekooljuni-maart
Schorsenerenseptember-februari
Snijbonenmaart-september
Sperziebonenjuli-september
Spinaziemaart-oktober
Spitskooljaarrond
Spruitenoktober-februari
Venkeljuni-oktober
Winterworteljaarrond
Witlofoktober-april
Wittekooljaarrond

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

Categorie: Columns

Richtlijnen gezonde voeding

In de laatste versie van de “Richtlijnen goede voeding, 2015” zijn noten vanwege hun gunstige werking opgenomen. In onderzoek is aangetoond dat noten het risico verkleinen op het krijgen van hartziekten. Ze verlagen het LDL-cholesterol (goede cholesterol). Het advies om dagelijks 15 gram (een handjevol) ongezouten noten te consumeren, is ook overgenomen in de “Schijf van Vijf”.

Wat is een noot?

Zoals vaker is er een verschil tussen de plantkundige indeling en de benamingen die consumenten gebruiken. Een plantkundige omschrijft een noot als een: “niet openspringende, eenzadige, enkelvoudige dopvrucht met verhoute vruchtwand. Dopvruchten behoren tot de droge vruchten en hebben één zaad, waarvan het steenachtige of houtachtige omhulsel bij rijpheid hard wordt.” Voor consumenten zijn alle grote oliehoudende pitten en zaden algauw een noot. Zo zijn pinda’s eigenlijk geen noten, maar peulvruchten. Amandelen behoren officieel niet tot de noten, maar tot de groep fruit. Andere voorbeelden van noten die eigenlijk geen noten zijn, maar zaden of vruchten:

  • Cashewnoot
  • Pistachenoot
  • Macademianoot
  • Paranoot
  • Pecannoot
  • Walnoot

Vanwege hun eigenschappen worden ze wel tot de noten gerekend. Dus een handjevol ongezouten walnoten past net zo goed binnen de “Schijf van Vijf”, als een handvol hazelnoten.

Kokosniet

Een kokosnoot is een steenvrucht, dus officieel geen noot, maar dat is een amandel ook. Amandelen rekenen we wel tot de neem-er-een-handjevol-van-noten en kokos niet, hoe zit dat? De kokosnoot bestaat voor een groot gedeelte uit kokosvet. Kokosvet is een verzadigde vetsoort. Van alle vet- en oliesoorten, bevat kokosvet het meest verzadigd vet. Verzadigd vet verhoogt het LDL cholesterol, dit is het ongezonde cholesterol. Kokos staat daarom niet in de “Schijf van vijf”.

Wettelijke allergenen

Niet voor iedereen is een handje noten per dag gezond. Noten kunnen namelijk allergische reacties veroorzaken. Naast de botanische en de culinaire indeling van noten, bestaat er daarom ook een wettelijke verplichting tot het vermelden van noten op de verpakking van levensmiddelen. De volgende soorten zijn melding plichtig: amandelen, hazelnoten, walnoten, cashewnoten, pecannoten, paranoten, pistachenoten en macademianoten. Aardnoten (pinda’s) worden apart genoemd.

Dorstige noot

Noten zijn een goed alternatief voor wie (af en toe) geen vlees eet. Gemiddeld genomen zijn noten minder belastend voor het milieu dan vlees. Wel is het zo dat het watergebruik bij het telen van noten hoog is. Daar staat tegen over dat de CO2 uitstoot van noten weer vele malen lager ligt. De minst milieu belastende noten zijn: pinda’s, walnoten en hazelnoten.

Weetjes over noten

  • Walnoten zijn een bron van Omega 3 vetzuren
  • Paranoten zijn een bron van Selenium
  • Het woord amandel is afgeleid van het Griekse amygdala, twee amandelvormige onderdelen uit onze hersenen
  • Macademia noten hebben de hardste schil van alle noten

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

Categorie: Columns

We geloven niet zomaar alles meer. Was het bij de allereerste volkstelling in 1849 nog zo, dat 95%! van de mensen gelovig was, tegenwoordig is dat cijfer drastisch gedaald naar 50%. Ondanks het feit dat steeds minder mensen geloven, vieren we nog wel de van oorsprong kerkelijke feestdagen zoals Pasen en Pinksteren.

Voor velen van ons, zijn het vrije dagen die we gezellig met vrienden en familie vieren. De oorspronkelijke betekenis van deze feestdagen hebben we ergens op de zolder van ons geheugen opgeslagen. En zoals dat gaat met dingen die op zolder liggen, happen ze stof en glijden langzaam de vergetelheid in.

Kruisiging

De oorsprong van Pasen, ligt bij het Joodse Pesach. Bij dit feest wordt herdacht, dat de Joden zich ontdaan hebben van de slavernij. De christenen zijn zich uiteindelijk meer gaan richten op de weder- opstanding en hebben er voor gekozen om Paaszondag altijd te vieren op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. De donderdag voorafgaand aan Paaszondag heet Witte Donderdag en op die dag herdenken we het ‘Laatste avondmaal’. En op Goede vrijdag wordt de kruisiging van Jezus herdacht.

Paashaas

Pasen lijkt een mengeling van gebruiken. Want hoezo een haas met Pasen en sinds wanneer leggen hazen eieren? Hierover bestaan verschillende mythes. Eén ervan is die van de Duitse godin Ostara (Eostre, Ostern en Easter zijn hiervan afgeleid). Zij liet eens de lente te laat beginnen, waardoor een klein vogeltje bijna het leven liet. Ostara wilde het vogeltje redden, maar het kon niet meer vliegen. Hierop veranderde zij het in een haas. Eens per jaar op de dag dat Ostara werd vereerd kon de haas eieren leggen. Men denkt dat zendelingen in hun poging heidenen te bekeren, het verhaal een beetje naar hun hand hebben gezet, waardoor we nu de wederopstanding van Jezus herdenken én paastakken versiert met hazen en eieren op tafel hebben staan.

Hoort een ei er wel bij?

De gemiddelde Nederlander eet bijna twee dagen per week een (kippen)ei. Eieren maken onderdeel uit van de Schijf van vijf. Twee tot drie eieren per week passen in een gezonde voeding, voor vegetariërs mogen dat er 3 á 4 zijn.

Een ei van 50 gram levert gemiddeld 66 Kcal die voornamelijk uit eiwit en vet bestaan. Het vet zit met name in de dooier. Een ei bevat een heel klein beetje koolhydraten en de vitamine B12, D, A, B2, Foliumzuur plus de mineralen, fosfor, seleen, ijzer en zink.

Cholesterol

Een ei bevat ook cholesterol. Cholesterol is een vetachtige stof, die in de lever wordt aangemaakt, daarnaast krijgen we ook een klein gedeelte via onze voeding binnen. We kennen LDL (het slechte) en HDL (goede) cholesterol. Het LDL vervoert cholesterol van de lever door ons lichaam. LDL kan blijven plakken aan beschadigingen in onze vaten, die door roken, hoge bloeddruk of ouderdom ontstaan. Daardoor kunnen vaten dichtslibben. HDL vervoert het cholesterol de andere kant op, dus naar de lever toe en vandaar uit ons lichaam uit. Een ei bevat beide soorten cholesterol. De bijdrage van cholesterol in onze voeding aan het verhogen van het totaal cholesterolgehalte in ons bloed, is echter vrij bescheiden. Het verzadigd vet uit onze voeding heeft een grotere invloed op het verhogen van het LDL gehalte in ons bloed. Om het cholesterol hoef je het eitje dus niet te laten staan.

(F)eitjes & wist gEI datjes

Het ei van Columbus is een gezegde, dat dateert uit de tijd dat Columbus Amerika heeft ontdekt. Tijdens een diner beweerden tafelgenoten, dat iedereen had kunnen doen wat Columbus deed. Columbus vroeg hierop een gekookt ei en wedde met deze lieden dat het niemand zou lukken om het ei zonder hulp rechtop te laten staan. Dat lukte geen van hen. Columbus tikte met het ei op tafel, waardoor de onderkant plat werd en het ei bleef staan. Waarmee hij maar wilde zeggen, dat als het eenmaal voorgedaan is, weet iedereen hoe het moet.

Een kip legt gemiddeld iedere dag een ei. Dat betekent in Nederland zo’n 10 miljard eieren per jaar gelegd worden. Aan de kleur van het oorlelletje van een kip, kun je zien welke kleur het ei heeft wat ze legt. Een wit lelletje betekent witte eieren en een rood lelletje bruine. De kleur van de schaal zegt niets over de smaak en de voedingswaarde, die is voor beide hetzelfde.

Op ieder ei staat een stempel met een ei-code. Het ei op de foto rechts heeft bijvoorbeeld de code: 2-NL-1234567. Het eerste cijfer geeft aan hoe een kip geleefd heeft:

  • 0= biologische ei
  • 1= vrije-uitloopei of grasei
  • 2= scharrelei of rondeel
  • 3= koloniehuisvesting.

Dit nummer zal je niet aantreffen op eieren in de supermarkt, maar mogelijk wel ergens anders of in het buitenland. Dit was eerst het nummer voor kooi-ei, maar dat is vanaf 2012 verboden. De landcode spreekt voor zich, NL wil zeggen dat een ei uit Nederland afkomstig is.

De laatste cijferreeks is een bedrijfscode (5 cijfers) en de allerlaatste cijfers geven aan in welk hok de kip zit. Zo kan terug herleid worden waar het ei geproduceerd is 16,19. Alle eieren die verkocht worden aan consumenten moeten voorzien zijn van een stempel. Ook als je hobby kippenboer bent en je gaat je eieren verkopen, moet er dus een stempel op het ei staan.

Er bestaan verschillende gewichtsklassen voor eieren.

MaatGewicht in gram
S< 53
M53 – 63
L63 – 73
XL> 73

Een ei is vanaf dat het gelegd is ongeveer vier weken houdbaar, wettelijk is dit vastgelegd op 28 dagen. Om eieren vers te houden, is het het beste om ze in de koelkast te bewaren. Door hun poreuze schil, nemen ze echter wel heel snel geurtjes aan van andere levensmiddelen, dus houd ze uit de buurt van de knoflooksaus. Het is redelijk eenvoudig om te zien of een ei vers genoeg is. Eieren hebben namelijk een vlies tussen de schil en de binnenkant van het ei. Ieder ei heeft ook een luchtkamer. Als het ei ouder wordt, wordt deze kamer groter. Wanneer je een ei in het water legt, gaat het ei met de stompe kant naar boven drijven. Schudden geeft ook informatie over de versheid. Bij een ei wat pas gelegd is, is het eiwit nog stevig. Als het ei geschud wordt, hoor je niets. Bij een ouder ei hoor je de inhoud bewegen in de schil.

Op een paastafel mag een gekookt eitje niet ontbreken. Breng het ei met koud water aan de kook. Een zacht ei kan na 3 á 4 minuten uit het water gehaald worden. Voor een halfzacht ei is de kooktijd 5-6 minuten en een ei is hard bij ongeveer 8 minuten. Eventueel kan het ei in geprikt worden, om te voorkomen dat er tijdens het koken een deukje in het ei komt. Dat deukje ontstaat doordat de lucht in de luchtkamer warm wordt en wil ontsnappen. Als het eiwit gestold is, duwt die de lucht door de poriën naar buiten, maar dan is er al wel een deukje ontstaan. Als je eerst een gaatje prikt, is de lucht al uit het ei. Overigens barst de schil dan ook minder snel.

Wanneer er een gevuld ei op het menu staat, wacht altijd het lastige klusje om het ei van de schil te ontdoen. Een ei van een week oud is makkelijker te pellen, dan een vers ei. Snel een eitje pellen? Doe het ei in een glas wat half gevuld is met water en schud het glas een paar keer op en neer. Voilà de schil laat makkelijk los. Wel met één hand het glas afdekken anders wordt het een smeerboel en begint het eieren zoeken al op tijd. En tot slot een trucje om te zorgen dat je tijdens het paasontbijt bij het eitje tikken door een pestkop niet verrast wordt met een rauw ei. Laat het ei over de tafel rollen. Een rauw ei zal wiebelen en een gekookt ei zal gewoon rollen.

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

Categorie: Columns

Goede voornemens

Gezonder leven staat met stip op de eerste plaats (71%) van de goede voornemens. Strava (een social media community van atleten) heeft onderzocht dat 12 januari de datum is waarop de meeste mensen hun goede voornemens aan de wilgen hangen. Slechts 8% van de mensen bereikt overigens het uiteindelijk voorgenomen doel. Aan het andere eind van dit spectrum staat ondervoeding.

Gemiddeld is één op de vier tot vijf patiënten in ziekenhuizen, zorginstellingen en de thuiszorg ernstig ondervoed. Uit de rapportage Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen (LPZ) blijkt dat in verpleeghuizen ongeveer 25% van de bewoners ondervoed is en dat ongeveer 40% van de bewoners in een matige voedingstoestand verkeert. Percentages klinken mooi, maar spreken niet altijd tot de verbeelding. Uitgaande van de cijfers van 2018, betekent het concreet dat er zo’n 29.000 mensen in verpleeghuizen ondervoed zijn.

Ondervoed; wanneer ben je dat?

De definitie van ondervoeding is: een lichaamstoestand die wordt veroorzaakt door een tekort aan inname of opname van voeding resulterend in een veranderde lichaamssamenstelling (verminderde vetvrije massa) en lichaamscelmassa, met als gevolg een verminderd fysiek en mentaal functioneren en een slechtere klinische uitkomst van ziekte. Wanneer je niet helemaal ingewijd bent in de materie, is dit een zin die je wel een paar keer moet lezen voordat het helemaal duidelijk is. Kort door de bocht wil het zeggen dat niet enkel het feit dat iemand afvalt of ‘mager’ is, betekent dat deze persoon ondervoed is. Er wordt naar meerdere factoren gekeken om de diagnose ondervoeding te kunnen stellen. Soms ligt er een ziekte of comorbiditeit (tegelijk voorkomen van twee of meer aandoeningen) ten grondslag aan ondervoeding. Daarnaast zijn er nog diverse andere oorzaken zoals: verminderd dorstgevoel, een slecht passend gebit, misselijkheid door medicijngebruik, verminderde eetlust en soms vergeet men ook te eten door een afnemend geheugen.

Complex geheel

Deze complexiteit maakt dat ondervoeding als diagnose wel eens gemist wordt. Dat is begrijpelijk, maar op zijn zachtst gezegd jammer. Ondervoeding heeft namelijk een grote impact op de conditie bijvoorbeeld door:

  • onnodig verlies van spiermassa
  • trager herstel bij ziekte
  • verwardheid
  • complicaties zoals decubitus (doorligplekken)

Een ondervoede cliënt/patiënt kan hierdoor in een neerwaartse spiraal terecht komen, waardoor er (nog) minder gegeten wordt en de voedingstoestand verder verslechtert. Behalve dat het effect heeft op de gezondheidstoestand en levenskwaliteit van de patiënt, kost ondervoeding de maatschappij ook veel geld. De totale maatschappelijke kosten van ondervoeding in de gezondheidszorg worden geschat op 1,8 miljard euro per jaar!

Door ondervoeding moeten mensen vaker geopereerd worden, herstellen ze langzamer en hebben ze eerder last van doorligwonden. Wanneer je ondervoeding behandelt levert iedere euro die je er in steekt €1,90 – €4,20 op.

Op weg naar de behandeling van ondervoeding

In 2018 is er een wereldwijde consensus bereikt om de diagnose ondervoeding te kunnen stellen. Het screenen op ondervoeding gebeurt door middel van een zogenaamd gevalideerd instrument zoals onder andere SNAQ 65+ (Short Nutritional Assement Questionnair) of MUST (Malnutrition Universal Screening Tool). Wanneer de uitkomst is dat de betreffende cliënt een verhoogd risico heeft op ondervoeding, volgt een tweede stap. Hierbij wordt gekeken of er sprake is van onbedoeld gewichtsverlies, een laag BMI en/of verminderde spiermassa in combinatie met de onderliggende oorzaak (zoals ziekte, verminderde inname/opname voeding). Dit leidt uiteindelijk tot een diagnose. Na de diagnose volgt het beoordelen van de voedingstoestand waarna een behandelplan opgesteld kan worden. Het screenen op en behandelen van ondervoeding, maakt deel uit van de prestatie indicator voor de zorg. Deze kwaliteitsindicatoren meten de mate waarin patiënten systematisch bij opname worden gescreend op ondervoeding en ondervoede patiënten tijdig en op adequate wijze worden behandeld.

De aanpak van ondervoeding hangt in sterke mate samen met de achterliggende oorzaak. Wanneer patiënt/cliënt een ziekte heeft waarbij opname van voedingsstoffen verstoord is, zoals bijvoorbeeld bij de ziekte van Crohn het geval kan zijn, vergt dit een andere aanpak dan een slecht passend gebit of beginnende dementie. Daarnaast verschilt de totale energie- en eiwitbehoefte natuurlijk ook per individu. Algemeen kan wel gesteld worden, dat gestreefd moet worden naar voldoende inname van eiwit (1,2-1,5 g/kg), energie en micronutriënten. Daarbij is beweging en het verhelpen van aan voeding gerelateerde klachten van belang om de neerwaartse spiraal te doorbreken.

Sim-Sa-La- ….. Eiwit

Eiwit is bij ondervoeding het toverwoord. Heel veel van onze voedingsmiddelen bevatten eiwitten zoals vlees, zuivel, ei en noten. De ene soort eiwit is echter de andere niet. Er zit met name verschil in de mate van verteerbaarheid en de aanwezigheid van essentiële aminozuren (die kan het lichaam zelf niet maken). Hoe hoger de verteerbaarheid en aanwezigheid van deze aminozuren hoe hoogwaardiger het eiwit. Hoe hoogwaardiger het eiwit, des te beter de zogenaamde anabole respons (verschil tussen eiwit aanmaak en eiwit afbraak in het lichaam). Dierlijke eiwitten zijn hoogwaardiger dan plantaardige. Dat betekent dat als je weinig dierlijke eiwitten tot je neemt, je meer eiwitten moet eten om toch voldoende essentiële aminozuren binnen te krijgen.

In het figuur hiernaast is de groei van een eiwit zichtbaar gemaakt. De inhoud van het vat (waterniveau) staat voor maximale groei. De laagste plank (lysine in dit geval) in het vat bepaalt het maximale niveau en dus de groei. Peulvruchten bevatten bijvoorbeeld niet alle essentiële aminozuren, maar door goede combinaties met bijvoorbeeld granen te maken vullen ze elkaar goed aan). Bij een gewicht van 70 kilo en verhoogde eiwitbehoefte moet er per dag zo’n 105 gram eiwit gegeten worden. Voor de warme maaltijd komt dit neer op 36 gram eiwit. Bij een normale portie (±430 gram), levert een maaltijd (inclusief dessert) tussen de 21- 32 g eiwit. Wanneer er ook nog eens sprake is van verminderde eetlust, is het een behoorlijke klus om aan de totaal benodigde hoeveelheid eiwit te komen.

Voeding als medicijn

In het verleden werd er direct naar medische voeding gekeken. Medische voeding is over het algemeen drink- of sondevoeding die voorgeschreven wordt door een arts of diëtist. Deze voeding levert snel de benodigde hoeveelheid energie, hoogwaardige eiwitten en is tevens uitgebalanceerd qua micro nutriënten. Nadeel van deze voedingen is dat niet iedereen ze lekker vindt en de prijs per verstrekking vaak hoger is dan die van reguliere eiwitbronnen.

Sinds ondervoeding meer onder de aandacht is gebracht, zijn er ook tal van ‘gewone’ producten verkrijgbaar met een hoog eiwit gehalte. Het voordeel van deze producten ten opzichte van de speciaal voedingen is dat ze makkelijk tussendoor te geven zijn, voor de consument herkenbaar zijn en de smaakwaardering is vaak hoog. In de webshop van Distrivers onder het kopje ‘Inspiratie -> Eiwitrijk’, is een groot aantal eiwitrijke producten te vinden.

Column door: Stephanie Slot
Voedingsdeskundige en menu-engineer bij Distrivers

terug naar boven